De gemeente Amsterdam wil het noodlijdende AEB verkopen. De gemeente als enige aandeelhouder was gedoemd te mislukken volgens Gerard van Vliet (NCD). ‘De sfeer die nodig is om een bedrijf te runnen, kan niet door gemeenten niet ondersteund worden.’

Afvalverwerker AEB kwam eerder dit jaar in grote financiële problemen door achterstallig onderhoud. De directie moest eind juni per direct vier van de zes verbrandingsovens sluiten. Kees Cools, hoogleraar Corporate finance and Governance (TIAS Business School), reageert bij BNR onthutst op de perikelen bij AEB. ‘Het is heel gênant. Ik hoor al jaren dat dit soort problemen spelen. Ik snap niet dat je het zo lang laat doorsluimeren. Tot het moment dat je vier van de zes installaties moet sluiten vanwege veiligheidsoverwegingen. Daar moeten toch allang signalen over geweest zijn? Kennelijk zijn die signalen niet serieus genomen.’

Door het sluiten van de vier ovens viel ongeveer 70 procent van de verbrandingscapaciteit, waardoor de Amsterdamse afvalverwerker geen rekeningen meer sturen voor het verbranden van afval. Het resultaat? Acute liquiditeitsproblemen. Cools wijst de bestuurlijke structuur als schuldige aan. ‘Ik was gevraagd naar de governance te kijken toen Jeroen de Swart nog CEO was. De governance was niet ideaal. Het is heel lastig als je als overheid, in dit geval de gemeente Amsterdam, 100 procent aandeelhouder bent van een bedrijf. Daar moet je niet aan beginnen. Het is een bedrijf, je hebt te maken met de vrije markt, vrije spelers. Je moet kiezen: onderdeel zijn van het gemeentelijk apparaat of je moet verkopen. Je moet er niet tussenin gaan zitten. Zet er verstandige commissarissen neer en blijf op afstand.’

Op afstand

Gerard van Vliet, directeur van de NCD – Nederlandse vereniging van Commissarissen en Directeuren, wijst op de verschillende belangen. ‘Ik heb een illustere periode als raadslid bij een grote gemeente achter de rug. De sfeer die nodig is om een bedrijf echt te runnen, kan niet door gemeenten niet ondersteund worden. De betrokken wethouders komen ineens in de Raad van Commissarissen te zitten. Dat gaat per definitie fout. Je moet dat echt op afstand kunnen zetten. Je moet heel strikte regels handhaven, anders kun je het schudden. De gemiddelde wethouder had de baan nooit gekregen als hij had moeten solliciteren.’